De lege kamer
Een paar weken geleden zat ik bij familie aan tafel. Een groot huis in een welvarend dorp, je kent het type plek wel. Plekken waar de auto's groot zijn, de heggen netjes en de stilte duur betaald. Twee mensen, ruim tweehonderd vierkante meter, een Volvo op de oprit, kamers boven die al jaren leeg staan omdat de kinderen het huis uit zijn.
Op tafel lag de Volkskrant. Daarnaast de NRC. Iemand uit mijn directe familie kan je tot in detail vertellen wat er die week in Gaza was gebeurd, hoe de olieprijs zich ontwikkelde, waar Iran mee bezig was. Hij leest elke dag de krant en checkt zijn telefoon zoals andere mensen ademhalen. Ze zijn allebei een beetje doof, dus er werd vooral geschreeuwd. En tijdens dat geschreeuw werd vooral duidelijk dat hij zich eigenlijk nergens écht zorgen om leek te maken. Hij wist alles. Hij voelde er weinig bij. Op een vreemde manier maakte dat het plaatje juist absurder.
Mijn familie stemt overwegend D66, GroenLinks-PvdA, dat soort partijen. Pro-immigratie. Pro klimaatbeleid. Pro het helpen van wie het minder heeft. En dat is mooi, dat zijn waarden die ik deel.
En het blijft niet bij stemmen alleen. Meerdere mensen in mijn directe en nabije familie willen ook per se in een gemeenteraad zitten, in een commissie, in een werkgroep. Wat ze daar precies uitvoeren, is mij eerlijk gezegd onduidelijk. Maar de positie, de status, het gevoel iets te doen, dat nemen ze graag mee.
Maar als je naar hun leven kijkt, niet naar hun stem of hun functie, dan zie je iets anders. Wekelijks de keurslager. De diesel Volvo, of hooguit een hybride Audi (want een BMW zou natuurlijk te proleterig zijn), die met vakantie heel Europa doorkruist. Het vliegtuig naar Gran Canaria omdat het toch handig is. Een huis met meer kamers dan bewoners. Een leeg gastenverblijf waar in theorie iemand kan slapen die nu geen dak heeft. En toch slaapt daar al jaren niemand.
Dit is geen aanklacht. Want het eerste wat ik mezelf moet bekennen is dat ik er zelf middenin sta. Ik vlieg ook. Ik waardeer een stukje vlees van de slager meer dan dat pakje uit de AH. En ik ben net zo druk met mijn eigen leven inrichten als ieder ander. Als ik straks een eigen huis heb, ga ik dan een vreemde uitnodigen om de logeerkamer te delen? Ik weet het antwoord niet. Het eerlijke antwoord is waarschijnlijk: nee, niet meteen, en misschien ook niet later. En precies daar gaat dit stuk over.
Stemmen is goedkoop
Politiek is een vorm van delegatie geworden. We hebben waarden over hoe de wereld eruit zou moeten zien, hoe we met elkaar zouden moeten omgaan, wie we zouden moeten helpen. En in plaats van die waarden zelf te leven, sturen we ze elke vier jaar in een envelopje naar Den Haag. Stemmen voelt als de daad. Het rode potlood is onze handtekening onder een ideaal. En daarna gaan we naar huis, eten een biefstuk van de keurslager, en mopperen op de partij die het ideaal niet realiseert.
Dit is geen exclusief progressief verschijnsel. Een PVV-stemmer met vier auto's op de oprit leeft net zo ver van zijn idealen vandaan, alleen liggen die idealen ergens anders. De kloof zit niet in de partij. De kloof zit in de mens.
Maar bij progressief Nederland valt het extra op, omdat de partij waarop gestemd wordt actief vraagt om persoonlijke offers. Hogere belastingen voor mensen met grote huizen, meer opname van asielzoekers, minder vlees, minder vliegen, minder spullen. En toch verandert er aan tafel weinig.
De kamer boven
Er is iets ongemakkelijks aan een leeg huis vol kamers in een land waar mensen in een sporthal of tentenkamp slapen. Niet ongemakkelijk omdat ik vind dat mijn familie morgen een Syrisch gezin in huis moet nemen. Om eerlijk te zijn zou ik dat Syrische gezin op dit moment iets gezelligers gunnen. Wel ongemakkelijk omdat we collectief hebben besloten dat dit normaal is. Dat het normaal is om twee mensen in tweehonderd vierkante meter te laten wonen terwijl een paar kilometer verderop iemand in een tent slaapt. Dat het normaal is om over die situatie hardop bezorgd te zijn en er tegelijkertijd niets aan te doen.
Een ander stel in mijn directe omgeving probeert al jaren een kind te krijgen. Het lukt niet. Ze zeggen: als het ons eigen kind eenmaal lukt, dan willen we ook pleegkinderen opvangen. Maar het eigen kind komt maar niet. Het wachten gaat door. Het huis is groot. De kamer waar straks een pleegkind zou komen, staat nu al leeg. De vraag die ik niet hardop stel, maar die er wel hangt: waarom niet nu?
Ik ken de antwoorden. Ze zijn ook redelijk. We moeten eerst onszelf vinden. We zijn er nog niet aan toe. Het is heel ingewikkeld om iemand vreemd in huis te nemen. Je weet niet wat je in huis haalt. Er zijn instanties voor. Allemaal waar. Maar diezelfde antwoorden golden de afgelopen tien jaar ook. En zullen waarschijnlijk over tien jaar nog gelden.
Kennis als surrogaat
Wat me het meest is opgevallen aan dat familielid is dat heel veel informatie consumeren een soort gevoel van betrokkenheid geeft dat lijkt op handelen, maar het niet is. Je weet wat er gebeurt in Gaza. Je weet wat de uitstoot van de luchtvaart doet. Je weet dat er een wooncrisis is. Je bent op de hoogte. En je doet er niks aan. Het gevoel dat het op-de-hoogte-zijn oplevert, die mengeling van bezorgdheid, verontwaardiging en een vaag soort solidariteit, voelt al een klein beetje als bijdragen.
Maar het is geen bijdrage. Het is consumptie. Ze consumeren het leven, ze creëren niks of nauwelijks. Net zoals stemmen geen leven is, is op de hoogte zijn geen helpen. We hebben moderne vormen van moreel comfort gevonden die ons het gevoel geven dat we iets doen terwijl we letterlijk in onze leesstoel zitten.
Een paar weken terug stuurde een naast familielid een artikel door over AI. De boodschap was iets in de trant van: gebruik geen AI zonder mensen erbij, denk goed na voor je iets met die technologie doet. Het werd doorgestuurd naar iemand die al jaren met AI werkt en er meer over weet dan de afzender ooit zal lezen. Een klein voorbeeld, maar het patroon zit erin: iets gelezen, een mening gevormd, een ander geïnstrueerd. Niet zelf bouwen. Niet zelf snappen. Niet zelf maken. Doorgeven is het hele werk.
Het familielid waar ik het over heb zit elke dag uren op zijn telefoon. Zijn nabije omgeving, zijn straat, zijn vrouw, zijn vriendschappen, de mensen op een steenworp afstand die hulp kunnen gebruiken, krijgt nauwelijks aandacht. Niet omdat hij een slecht mens is. Maar de wereld in zijn telefoon is groter, dramatischer, en eerlijk gezegd makkelijker om bezorgd over te zijn dan de wereld op twee meter afstand.
De afstand
Wat ik me afvraag is waarom doen jullie niets. Laat het maar een prik zijn. Het is ook een prik die ik mezelf opspeld. Maar serieus: waar staan jullie voor? Stemmen kost niets. Geloven kost niets. Weten kost niets. Een waarde die je niet kunt aanwijzen in je gedrag, in je week, in je geld, in je tijd, is geen waarde. Het is een sieraad.
Geen van mijn familieleden gaat morgen een asielzoeker in huis nemen, of stoppen met vliegen, of de Volvo wegdoen. Maar wat mij betreft zouden ze het wel een keer mogen overwegen. Een keer laten zien dat ze om de mensen geven waar ze op stemmen. Een keer iets doen waar het hen iets kost.
Niet neem een asielzoeker in huis. Niet stop met vliegen. Niet verkoop je auto. Die antwoorden zijn zo groot dat ze paralyseren.
Maar misschien wel: één concrete daad per maand die in lijn is met wat je zegt te geloven. Voor het familielid dat zich zorgen maakt over de wereld zou dat kunnen zijn: niet de krant, maar de buurman. Niet Gaza, maar de buurvrouw die alleen woont. Niet een mening, maar een uur. Voor het stel met het lege huis: misschien geen pleegkind, maar wel iemand die af en toe een warme maaltijd nodig heeft. Voor mezelf: ik weet het nog niet precies. Maar ik weet wel dat dit stuk schrijven een vorm van moreel comfort is die ik moet wantrouwen, want het voelt al een beetje als doen. Het is geen doen.
Slot
Of mijn familie hypocriet is weet ik niet zeker. Misschien wel. Maar op dit moment verwarren ze me vooral. Mensen die elke dag de krant lezen, op partijen stemmen die offers vragen, in huizen wonen waar offers in passen, en die toch geen offer brengen. Mensen die alles weten en niks doen. Mensen die overal een mening over hebben behalve over hun eigen leven.
Ik denk dat de meeste mensen die hetzelfde stemmen, hetzelfde leven, hetzelfde grote huis bewonen, hetzelfde lege kamertje hebben, niet zoveel anders zijn dan mijn familie. We zijn allemaal hetzelfde aan het doen: we hebben waarden die groter zijn dan onze daden, en we hebben manieren gevonden, stemmen, weten, mopperen, om die kloof draaglijk te houden.
Maar de kamer blijft leeg. En zolang we onszelf wijsmaken dat stemmen leven is, blijft er iemand in een tent slapen op zes kilometer afstand van een matras dat niemand gebruikt.
Ik weet niet wat mijn daad deze maand wordt. Maar ik weet wel dat het iets concreets moet zijn, dat het pijn moet doen om in te plannen, en dat het niets met informatie consumeren te maken mag hebben. Dat lijkt me de eerste stap. Niet jullie. Ik. En als er één ding is dat ik je zou willen meegeven, dan is het deze vraag, die ik mezelf de afgelopen dagen ben gaan stellen en niet meer wegkrijg:
Als jouw stem klopt, wat is dan jouw daad deze maand?
If you want to know when I write something new: